• home

  • betoverde bossen

  • het oude land

  • oeverland

  • dijken en kustgebieden



  • in het voorbijgaan

  • sur place

  • in situ

  • in situ 2


  • lezen

  • exposities

  • contact


  • NICO HEMELAAR

    verbeeldingen van landschap - lezen



    I

    Al heel lang is ‘verbeeldingen van landschap' het thema, dat aan de basis ligt van al mijn werk.
    Mijn fascinatie voor natuur en landschap was er al in mijn vroege jeugd. Ik woonde aan de rand van een naoorlogs nieuwbouw wijkje in Dordrecht, grenzend aan de polders en stukken natuur. Er waren de grote rivieren die rondom het eiland van Dordt stroomden en dan was er ook nog de weergaloze en zeer tot de verbeelding sprekende Dordtse en Brabantse Biesbosch, indertijd nog met een zoetwatergetijdenverschil van ruim 2 meter. Ik was er vaak te vinden, dit alles maakte een diepe indruk. Ik bewaar er levendige herinneringen aan, soms beangstigend en dreigend, spannend, ook overweldigend en groots, ervaringen die mijn latere leven in belangrijke mate zouden bepalen.

    Het begrip Landschap blijkt complex, mijn ontmoetingen en ervaringen met en in natuur en landschap, doen en deden vele vragen en gedachten opkomen, over verwondering en het onbenoembare, over verbeelding en de aard van de werkelijkheid.
    Wat is de essentie van landschap en kan natuur ook landschap zijn? Was er altijd al landschap en hoe zit dat eigenlijk met die natuur, wanneer wordt natuur landschap? Bestaat er landschap zonder natuur? Wat betekent landschap voor mij en voor ons allen?
    Waarin schuilt de schoonheid van landschappelijke omgevingen en ruimtes zoals ik die zo vaak tegenkom en graag naar terugkeer? Is het natuurlijk landschap te zien als aparte categorie naast cultuur landschap, commercieel landschap, industrieel landschap, etc.?

    Intrigerend en imponerend zijn ze, de weidsheid van veenmoerassen en kustgebieden, de slikken en schorren, de wadden en alles wat buitendijks, nog niet beheerst en onder controle is. Het kost moeite om vertrouwd te raken met die ongrijpbare en voortdurend veranderlijke gebieden. Immer de vraag naar houvast: waar veranker je je waarneming in zo veel uitgestrektheid, hoe geef je er betekenis aan?
    Er zijn woorden voor: onverbiddelijk, eindeloos, onherbergzaam. Het is lastig om vat te krijgen op landschappen die subtiele kleurverschillen vertonen, die door hun wijdte, hun omvang en hun openheid nergens mee te vergelijken zijn. Ze roepen iets in herinnering dat moeilijk onder woorden valt te brengen, maar wat je onmiskenbaar ervaart.

    Wat gebeurt er als je langdurig in deze landschappen verkeert, het ondergaat, je erin beweegt, het laat inwerken op je zintuigen en je binnenwereld?
    Volgens schrijver Robert Macfarlane verandert het iets wezenlijks in je psyche.
    Ook in mijn werk vormt deze ervaring het vertrekpunt: een stille maar intense wisselwerking tussen het landschap als uiterlijke wereld en de innerlijke beleving ervan.

    Intermezzo:

    Landschap, de verte, de alles oplossende schemering, de stilte.
    Nevels, soms een streep verdwijnend licht.
    Vallende nacht.
    De kleuren van donker.
    Alles ademt,
    alles is buiten ons en tegelijkertijd in ons,
    altijd, kijk maar…

    Wie goed kijkt zal ontdekken dat landschap vol van betekenissen blijkt te zijn, anders gezegd landschap is drager van een verleden en is te beschouwen als een soort collectief geheugen.
    Reizen door natuurlijk landschap is bewegen door lagen van tijd. Natuurlijk landschap herinnert langs ingewikkelde en soms onbewuste wegen er aan dat er ooit mensen leefden die er mee moesten omgaan, zich moesten beschermen tegen de natuurgeweld en klimaat en tegelijkertijd haar bronnen gebruiken. Sporen daarvan zijn vaak zichtbaar en bepalen mee de identiteit van een gebied. Ze verwijzen ook naar de vroegere generaties van bewoners die er woonden en werkten. Dat daar zorgvuldig en respectvol mee omgegaan dient te worden spreekt vanzelf. Zoals dat ook geldt voor alle natuur.

    Mijn werken ontstaan vanuit langdurig verblijf in natuurlijke en voormalige gecultiveerde landschappen, op plekken waar de tijd voelbaar wordt, leegte gevuld blijkt en verandering de enige constante is.
    Ze zijn geen objectieve registraties maar verbeeldingen van een ontmoeting.

    In mijn gelaagde beelden toont zich landschap dat in beweging is, in wording zelfs: waarin alles stroomt en niets blijft zoals het was. Abstractie speelt in mijn werk een belangrijke rol – niet als stijlkenmerk, maar als een wijze van denken. De begrippen figuratief en non-figuratief doen dan ook onvoldoende recht aan de complexiteit van het beeld.
    Mij gaat het om de uitkomst van een creatief beeldend proces waarin inhoud en vorm elkaar beïnvloeden, waaruit een betekenisvol zichtbaar beeld ontstaat.
    De horizon – als idee, als metafoor maar ook feitelijk – speelt steeds mee. Onbereikbaar, altijd net buiten bereik, en toch richtinggevend. Een uitnodiging om te blijven kijken, blijven bewegen, blijven verbeelden.

    Wie kijkt naar mijn werk zal opvallen dat er heel veel ook niet op te zien is, geen mensen, zelden bebouwing. Mijn motieven en onderwerpen zijn vaak oevers, kusten, randen, water en land, de ruimte, horizon, zee en rivieren, bosschages en moerasgebieden, schilderkunstig verwerkt en vereenvoudigd. Alles terug gebracht tot een essentie zoals ik die heb ervaren.
    Ik mag wel zeggen dat ik geen uitgesproken figuratief of realistisch werkende kunstenaar ben, geen expressionist of surrealist, niets van dat alles en ook tegelijkertijd alles. Er is geen kunsthistorisch hokje waar ik in te passen ben. Laat ik het er maar op houden dat mijn werk uniek is, mijn persoonlijke artistieke zelf.

    Een boeiend vraagstuk waar ik vaak over heb nagedacht betreft het onderscheid tussen het ervaren, beleven van een werkelijk landschap en datgene wat een verbeeld landschap oproept en ook raakt aan een universele vervolgvraag: Hoe sta ik als subjectief individu tegenover de zichtbare werkelijkheid buiten mij. Mijn onderzoek betreft diepere lagen en betekenissen, naar de relatie tussen de innerlijke wereld en die buiten je, naar wat je ervaart en wat je er bij voelt. verbeelding en werkelijkheid, het tijdelijke en tijdloze. De confrontatie met het ongrijpbare, het vergankelijke, het schijnbaar onbeweeglijke en het veranderlijke. ….

    Mijn werk reflecteert op mijn positie als beeldend kunstenaar binnen de West-Europese kunst traditie en ook hoe dit zich verhoudt tot het discours waar kunst over dient te gaan en welke beeldtaal daarbij relevant is.

    Ik heb altijd meer verwantschap gevoeld met kunstenaars die min of meer buiten de stromingen en labels van hun tijd werkten, vaak minder bekend waren, minder dogmatisch, eigenzinnig en dwars op de tijdgeest wellicht. Een paar namen: Hercules Seghers, Caspar David Friedrich, Matthijs Maris, Jean-Baptiste-Camille Corot, Alberto Giacometti, Paula Modersohn-Becker, Leon Spilliaert. En altijd draait het ook bij hen om waarnemen, ondergaan, verbeelding, gevoel en hun reflecties.

    Wat mijn eigen werk betreft, ik heb me altijd meer thuis gevoeld bij wat je een onderstroom kan noemen. Als ik het zelf zou moeten plaatsen, misschien zijn er wel raakvlakken met de denkwereld van de vroege Romantiek, daarover hieronder meer nog.

    II

    Over Verbeelding en Werkelijkheid – De erfenis van de vroege Romantiek in de hedendaagse kunstpraktijk.

    Onlangs, voorjaar 2025, reisden Maartje en ik naar Jena en Weimar, op zoek naar sporen van een periode die voor de kunst en filosofie van doorslaggevende betekenis is geweest: de vroege Romantiek.
    Deze periode, rond 1800, markeert het begin van de Romantiek als stroming met een verrassend doordachte en stevige theoretische basis. Denkers als Friedrich Schiller, de gebroeders August Wilhelm en Friedrich Schlegel, Johann Gottlieb Fichte en de visionaire Novalis vormden destijds een hecht netwerk van jonge, briljante geesten. Ook hun partners waren vaak actief betrokken — intellectueel, artistiek en sociaal. De oudere Goethe, al een gevestigde figuur, voelde zich nauw verbonden met deze groep en nam actief deel aan hun gedachtewisselingen.

    Wat voor ons begon als een historische interesse, groeide uit tot een persoonlijke ontmoeting met ideeën die ook vandaag nog krachtig resoneren. Wat ik hier schrijf is zoiets als een reflectie op die ervaringen en ook op de wijze waarop de denkbeelden van toen nog steeds doorwerken in de hedendaagse kunstpraktijk.

    Kant: het "Ich" en het "Ding an sich"

    Immanuel Kant vormt het filosofische vertrekpunt van de ‘vroege Romantiek’. In zijn "Kritik der reinen Vernunft" maakt hij het revolutionaire onderscheid tussen het "Ich" – het kennende subject – en het "Ding an sich" – de werkelijkheid op zichzelf, die wij nooit rechtstreeks kunnen kennen. Het "Ich" bij Kant is niet zomaar een persoonlijk zelf, maar een actief vormgevend bewustzijn. Wij nemen de wereld niet puur passief waar; wij structureren haar door ruimte, tijd en verstandelijke categorieën. Alles wat wij ervaren, is dus altijd een verschijnsel, gefilterd door ons eigen waarnemingsvermogen. Het "Ding an sich", het ding-op-zichzelf, blijft daarentegen principieel buiten ons bereik. We moeten het veronderstellen als bron van onze indrukken, maar we kunnen het nooit volledig begrijpen of representeren.

    De Vroege Romantiek: voorbij het Kantiaanse dualisme

    De denkers die wij in Jena en Weimar tegenkwamen – (o.a. Friedrich Schiller, de gebroeders Schlegel, Fichte, Novalis.) – bouwden voort op Kant, maar zetten ook stappen voorbij zijn dualisme. Zij wilden niet berusten in de kloof tussen subject en wereld. Zij zochten naar verbinding, naar een eenheidservaring. Verbeelding werd daarin het centrale vermogen. Het creatieve proces was voor hen niet louter expressief, maar ook cognitief: kunst bood toegang tot een ander soort waarheid. Kunst als kennisvorm, als een manier om iets van het onzegbare, het oneindige te benaderen.

    In Weimar bezochten we huizen, tuinen, bibliotheken – tastbare resten van deze geestelijke beweging. Opvallend is ook het gebruik van fragmenten in hun geschriften: losse, vaak aforistische zinnen of gedachteflarden. Geen gesloten systemen, maar uitnodigingen tot dialoog. Denken als een open veld, als collectieve verkenning. Die fragmenten waren een methodiek om met elkaar voortdurend en snel te denken en gedachten uit te wisselen, ook letterlijk, er zijn nog duizenden geschreven fragmenten te vinden in archieven, verzamelingen, musea.

    De romantische erfenis in de hedendaagse kunstpraktijk

    Wat betekent dit alles voor kunstenaars vandaag? De invloed van het Kantiaanse subject én van het romantische verlangen naar eenheid is nog steeds voelbaar. Veel hedendaagse kunstenaars onderzoeken het spanningsveld tussen het waarneembare en het onzegbare. De werkelijkheid wordt niet gepresenteerd als eenduidig of transparant, maar als gelaagd, mysterieus, soms zelfs fundamenteel onkenbaar.
    Het "Ding an sich" blijft een schaduw die rondwaart. Tegelijkertijd staat het subject niet langer centraal als soeverein ‘ik’, maar wordt het benaderd als relationeel, belichaamd, kwetsbaar. Kunst ontstaat in interactie – met materie, met plek, met publiek. De kunstenaar is geen meester, maar medespeler in een complex veld.
    Ook het fragmentaire denken herleeft: in installaties, in associatieve teksten, in werken die zich verzetten tegen voltooiing. Zoals bij de romantici is het onvolledige geen zwakte, maar juist een uitnodiging tot betrokkenheid en verbeelding.

    Slotbeschouwing

    De reis naar Jena en Weimar liet ons zien dat de vragen van toen – over werkelijkheid, subjectiviteit, zingeving en kunst – nog altijd onze tijd doorkruisen. Wat betekent het om de wereld (hier mag je ook natuur en landschap rekenen) te willen begrijpen, te willen raken, zonder haar volledig te kunnen kennen? De vroege Romantiek nodigt ons uit om die onzekerheid niet als tekort te zien, maar als kracht. Om het creatieve vermogen van de mens niet te beperken tot expressie, maar te erkennen als een manier van weten, van zijn. En om kunst te blijven zien als een poort naar het oneindige – niet ondanks, maar dankzij haar fragmentarische, zoekende karakter.

    Nico Hemelaar, 2025.



    III

    Een geschilderd landschappelijk beeld. Vlak, leeg en wijds.
    Streng misschien of slechts eenvoudig.
    Er is licht, lucht, een scherpe hoge horizon, er is iets vóór en het veronderstelt een onzichtbare beschouwer.
    M’n romantische voorganger, de grote Caspar David Friedrich schilderde die beschouwer er nog wel in, ik laat hem weg. Vervang hem door elke willekeurige kijker naar mijn werk.

    Stel je voor dat je volkomen alleen bent, en alles om je heen is weg, geen steden, geen mensen, geen cultuur, dan is er altijd nog “landschap”.
    Daar sta je dan in en kijkt er naar.
    Jij en het andere, dat wat buiten je is.
    Dan moet je toch sterk in je schoenen staan, niks troostends, comfortabels, of een thuisgevoel.
    Integendeel dreiging, angstgevoelens, eenzaamheid.

    Daarin ligt ergens wel iets van een verklaring, in mijn werk is niks gezelligs, leuk pittoresks, te vinden.
    En het is maar de vraag of het begrip “mooi” relevant is……



    IV

    Mijn schilderijen verwijzen naar een landschappelijke werkelijkheid.
    Het waarnemen, gewaarworden, ervaren, ligt aan de basis.
    Met gespitste zintuigen, alert.
    Een actief kijken.
    Er is veel te zien, horen, ruiken, voelen.

    Het landschap is complex, geeft zich niet zo maar bloot.
    Het zien van landschap is werk.
    Landschap is niet stemmig, niet vrolijk, niet somber, het is gewoon wat het is.

    Mijn schilderijen bevatten weinig of geen topografische elementen, geen mensen en zijn ook geen impressies of nabootsingen van een ergens in de werkelijkheid voorkomend landschap.

    Het landschappelijke beeld gaat over ruimtelijkheid en licht, over horizon, oneindigheid en begrenzing en vooral ook over leegte en stilte.

    Om voor mezelf te beschrijven wat er op het platte vlak gebeurt kom ik nog al eens terecht op analogieën met muziek.

    Kleur en vormen staan t.o.v. elkaar als een soort akkoorden, de ruimte en sfeer als klanken.
    Het gaat dus om specifieke klanken die paradoxaal ook weer een stilte oproepen.
    Die stilte in de schilderijen is geloof ik waar het om gaat.
    Sommigen noemen het de leegte, toch iets anders, vind ik.

    Een geluidloos schilderij associëren met klanken, om vervolgens mijn landschappelijke stilte te realiseren.
    Stilte, of de afwezigheid van geluid, maar dat is ook geluid, is verbonden aan landschap.

    Waarom ik daar steeds weer op terecht kom? Waarschijnlijk is het omdat ik het ervaren daarvan in een werkelijk landschap zo belangrijk vind.

    Nico Hemelaar, 2019


    I

    Al heel lang is ‘verbeeldingen van landschap' het thema, dat aan de basis ligt van al mijn werk.
    Mijn fascinatie voor natuur en landschap was er al in mijn vroege jeugd. Ik woonde aan de rand van een naoorlogs nieuwbouw wijkje in Dordrecht, grenzend aan de polders en stukken natuur. Er waren de grote rivieren die rondom het eiland van Dordt stroomden en dan was er ook nog de weergaloze en zeer tot de verbeelding sprekende Dordtse en Brabantse Biesbosch, indertijd nog met een zoetwatergetijdenverschil van ruim 2 meter. Ik was er vaak te vinden, dit alles maakte een diepe indruk. Ik bewaar er levendige herinneringen aan, soms beangstigend en dreigend, spannend, ook overweldigend en groots, ervaringen die mijn latere leven in belangrijke mate zouden bepalen.

    Het begrip Landschap blijkt complex, mijn ontmoetingen en ervaringen met en in natuur en landschap, doen en deden vele vragen en gedachten opkomen, over verwondering en het onbenoembare, over verbeelding en de aard van de werkelijkheid.
    Wat is de essentie van landschap, kan natuur ook landschap zijn? Was er altijd al landschap en hoe zit dat eigenlijk met die natuur, wanneer wordt natuur landschap? Bestaat er landschap zonder natuur? Wat betekent landschap voor mij en voor ons allen?
    Waarin schuilt de schoonheid van landschappelijke omgevingen en ruimtes zoals ik die zo vaak tegenkom en graag naar terugkeer? Is het natuurlijk landschap te zien als aparte categorie naast cultuur landschap, commercieel landschap, industrieel landschap, etc.?

    Intrigerend en imponerend zijn ze, de weidsheid van veenmoerassen en kustgebieden, de slikken en schorren, de wadden en alles wat buitendijks, nog niet beheerst en onder controle is. Het kost moeite om vertrouwd te raken met die ongrijpbare en voortdurend veranderlijke gebieden. Immer de vraag naar houvast: waar veranker je je waarneming in zo veel uitgestrektheid, hoe geef je er betekenis aan?
    Er zijn woorden voor: onverbiddelijk, eindeloos, onherbergzaam. Het is lastig om vat te krijgen op landschappen die subtiele kleurverschillen vertonen, die door hun wijdte, hun omvang en hun openheid nergens mee te vergelijken zijn. Ze roepen iets in herinnering dat moeilijk onder woorden valt te brengen, maar wat je onmiskenbaar ervaart.

    Wat gebeurt er als je langdurig in deze landschappen verkeert, het ondergaat, je erin beweegt, het laat inwerken op je zintuigen en je binnenwereld?
    Volgens schrijver Robert Macfarlane verandert het iets wezenlijks in je psyché.
    Ook in mijn werk vormt deze ervaring het vertrekpunt: een stille maar intense wisselwerking tussen het landschap als uiterlijke wereld en de innerlijke beleving ervan.

    Intermezzo:

    Landschap, de verte, de alles oplossende schemering, de stilte.
    Nevels, soms een streep verdwijnend licht.
    Vallende nacht.
    De kleuren van donker.
    Alles ademt,
    alles is buiten ons en tegelijkertijd in ons,
    altijd, kijk maar…

    Wie goed kijkt zal ontdekken dat landschap vol van betekenissen blijkt te zijn, anders gezegd landschap is drager van een verleden en is te beschouwen als een soort collectief geheugen.
    Reizen door natuurlijk landschap is bewegen door lagen van tijd. Natuurlijk landschap herinnert langs ingewikkelde en soms onbewuste wegen er aan dat er ooit mensen leefden die er mee moesten omgaan, zich moesten beschermen tegen de natuurgeweld en klimaat en tegelijkertijd haar bronnen gebruiken. Sporen daarvan zijn vaak zichtbaar en bepalen mee de identiteit van een gebied. Ze verwijzen ook naar de vroegere generaties van bewoners die er woonden en werkten. Dat daar zorgvuldig en respectvol mee omgegaan dient te worden spreekt vanzelf. Zoals dat ook geldt voor alle natuur.

    Mijn werken ontstaan vanuit langdurig verblijf in natuurlijke en voormalige gecultiveerde landschappen, op plekken waar de tijd voelbaar wordt, leegte gevuld blijkt en verandering de enige constante is.
    Ze zijn geen objectieve registraties maar verbeeldingen van een ontmoeting.

    In mijn gelaagde beelden toont zich landschap dat in beweging is, in wording zelfs: waarin alles stroomt en niets blijft zoals het was. Abstractie speelt in mijn werk een belangrijke rol – niet als stijlkenmerk, maar als een wijze van denken. De begrippen figuratief en non-figuratief doen dan ook onvoldoende recht aan de complexiteit van het beeld.
    Mij gaat het om de uitkomst van een creatief beeldend proces waarin inhoud en vorm elkaar beïnvloeden, waaruit een betekenisvol zichtbaar beeld ontstaat.
    De horizon – als idee, als metafoor maar ook feitelijk – speelt steeds mee. Onbereikbaar, altijd net buiten bereik, en toch richtinggevend. Een uitnodiging om te blijven kijken, blijven bewegen, blijven verbeelden.

    Wie kijkt naar mijn werk zal opvallen dat er heel veel ook niet op te zien is, geen mensen, zelden bebouwing. Mijn motieven en onderwerpen zijn vaak oevers, kusten, randen, water en land, de ruimte, horizon, zee en rivieren, bosschages en moerasgebieden, schilderkunstig verwerkt en vereenvoudigd. Alles terug gebracht tot een essentie zoals ik die heb ervaren.
    Ik mag wel zeggen dat ik geen uitgesproken figuratief of realistisch werkende kunstenaar ben, geen expressionist of surrealist, niets van dat alles en ook tegelijkertijd alles. Er is geen kunsthistorisch hokje waar ik in te passen ben. Laat ik het er maar op houden dat mijn werk uniek is, mijn persoonlijke artistieke zelf.

    Een boeiend vraagstuk waar ik vaak over heb nagedacht betreft het onderscheid tussen het ervaren, beleven van een werkelijk landschap en datgene wat een verbeeld landschap oproept en ook raakt aan een universele vervolgvraag: Hoe sta ik als subjectief individu tegenover de zichtbare werkelijkheid buiten mij. Mijn onderzoek betreft diepere lagen en betekenissen, naar de relatie tussen de innerlijke wereld en die buiten je, naar wat je ervaart en wat je er bij voelt. verbeelding en werkelijkheid, het tijdelijke en tijdloze. De confrontatie met het ongrijpbare, het vergankelijke, het schijnbaar onbeweeglijke en het veranderlijke. ….

    Mijn werk reflecteert op mijn positie als beeldend kunstenaar binnen de West-Europese kunst traditie en ook hoe dit zich verhoudt tot het discours waar kunst over dient te gaan en welke beeldtaal daarbij relevant is.

    Ik heb altijd meer verwandschap gevoeld met kunstenaars die min of meer buiten de stromingen en labels van hun tijd werkten, vaak minder bekend waren, minder dogmatisch, eigenzinnig en dwars op de tijdgeest wellicht. Een paar namen: Hercules Seghers / Caspar David Friedrich / Matthijs Maris / Jean-Baptiste-Camille Corot / Alberto Giacometti / Paula Modersohn-Becker / Leon Spilliaert. En altijd draait het ook bij hen om waarnemen, ondergaan, verbeelding, gevoel en hun reflecties.

    Wat mijn eigen werk betreft, ik heb me altijd meer thuis gevoeld bij wat je een onderstroom kan noemen. Als ik het zelf zou moeten plaatsen, misschien zijn er wel raakvlakken met de denkwereld van de vroege Romantiek, daarover hieronder meer nog.

    II

    Over Verbeelding en Werkelijkheid – De erfenis van de vroege Romantiek in de hedendaagse kunstpraktijk.

    Onlangs, voorjaar 2025, reisden Maartje en ik naar Jena en Weimar, op zoek naar sporen van een periode die voor de kunst en filosofie van doorslaggevende betekenis is geweest: de vroege Romantiek.
    Deze periode, rond 1800, markeert het begin van de Romantiek als stroming met een verrassend doordachte en stevige theoretische basis. Denkers als Friedrich Schiller, de gebroeders August Wilhelm en Friedrich Schlegel, Johann Gottlieb Fichte en de visionaire Novalis vormden destijds een hecht netwerk van jonge, briljante geesten. Ook hun partners waren vaak actief betrokken — intellectueel, artistiek en sociaal. De oudere Goethe, al een gevestigde figuur, voelde zich nauw verbonden met deze groep en nam actief deel aan hun gedachtewisselingen.

    Wat voor ons begon als een historische interesse, groeide uit tot een persoonlijke ontmoeting met ideeën die ook vandaag nog krachtig resoneren. Wat ik hier schrijf is zoiets als een reflectie op die ervaringen en ook op de wijze waarop de denkbeelden van toen nog steeds doorwerken in de hedendaagse kunstpraktijk.

    Kant: het "Ich" en het "Ding an sich"

    Immanuel Kant vormt het filosofische vertrekpunt van de ‘vroege Romantiek’. In zijn "Kritik der reinen Vernunft" maakt hij het revolutionaire onderscheid tussen het "Ich" – het kennende subject – en het "Ding an sich" – de werkelijkheid op zichzelf, die wij nooit rechtstreeks kunnen kennen. Het "Ich" bij Kant is niet zomaar een persoonlijk zelf, maar een actief vormgevend bewustzijn. Wij nemen de wereld niet puur passief waar; wij structureren haar door ruimte, tijd en verstandelijke categorieën. Alles wat wij ervaren, is dus altijd een verschijnsel, gefilterd door ons eigen waarnemingsvermogen. Het "Ding an sich", het ding-op-zichzelf, blijft daarentegen principieel buiten ons bereik. We moeten het veronderstellen als bron van onze indrukken, maar we kunnen het nooit volledig begrijpen of representeren.

    De Vroege Romantiek: voorbij het Kantiaanse dualisme

    De denkers die wij in Jena en Weimar tegenkwamen – (o.a. Friedrich Schiller, de gebroeders Schlegel, Fichte, Novalis.) – bouwden voort op Kant, maar zetten ook stappen voorbij zijn dualisme. Zij wilden niet berusten in de kloof tussen subject en wereld. Zij zochten naar verbinding, naar een eenheidservaring. Verbeelding werd daarin het centrale vermogen. Het creatieve proces was voor hen niet louter expressief, maar ook cognitief: kunst bood toegang tot een ander soort waarheid. Kunst als kennisvorm, als een manier om iets van het onzegbare, het oneindige te benaderen.

    In Weimar bezochten we huizen, tuinen, bibliotheken – tastbare resten van deze geestelijke beweging. Opvallend is ook het gebruik van fragmenten in hun geschriften: losse, vaak aforistische zinnen of gedachteflarden. Geen gesloten systemen, maar uitnodigingen tot dialoog. Denken als een open veld, als collectieve verkenning. Die fragmenten waren een methodiek om met elkaar voortdurend en snel te denken en gedachten uit te wisselen, ook letterlijk, er zijn nog duizenden geschreven fragmenten te vinden in archieven, verzamelingen, musea.

    De romantische erfenis in de hedendaagse kunstpraktijk

    Wat betekent dit alles voor kunstenaars vandaag? De invloed van het Kantiaanse subject én van het romantische verlangen naar eenheid is nog steeds voelbaar. Veel hedendaagse kunstenaars onderzoeken het spanningsveld tussen het waarneembare en het onzegbare. De werkelijkheid wordt niet gepresenteerd als eenduidig of transparant, maar als gelaagd, mysterieus, soms zelfs fundamenteel onkenbaar.
    Het "Ding an sich" blijft een schaduw die rondwaart. Tegelijkertijd staat het subject niet langer centraal als soeverein ‘ik’, maar wordt het benaderd als relationeel, belichaamd, kwetsbaar. Kunst ontstaat in interactie – met materie, met plek, met publiek. De kunstenaar is geen meester, maar medespeler in een complex veld.
    Ook het fragmentaire denken herleeft: in installaties, in associatieve teksten, in werken die zich verzetten tegen voltooiing. Zoals bij de romantici is het onvolledige geen zwakte, maar juist een uitnodiging tot betrokkenheid en verbeelding.

    Slotbeschouwing

    De reis naar Jena en Weimar liet ons zien dat de vragen van toen – over werkelijkheid, subjectiviteit, zingeving en kunst – nog altijd onze tijd doorkruisen. Wat betekent het om de wereld (hier mag je ook natuur en landschap rekenen) te willen begrijpen, te willen raken, zonder haar volledig te kunnen kennen? De vroege Romantiek nodigt ons uit om die onzekerheid niet als tekort te zien, maar als kracht. Om het creatieve vermogen van de mens niet te beperken tot expressie, maar te erkennen als een manier van weten, van zijn. En om kunst te blijven zien als een poort naar het oneindige – niet ondanks, maar dankzij haar fragmentarische, zoekende karakter.

    Nico Hemelaar, 2025.



    III

    Een geschilderd landschappelijk beeld. Vlak, leeg en wijds.
    Streng misschien of slechts eenvoudig.
    Er is licht, lucht, een scherpe hoge horizon, er is iets vóór en het veronderstelt een onzichtbare beschouwer.
    M’n romantische voorganger, de grote Caspar David Friedrich schilderde die beschouwer er nog wel in, ik laat hem weg. Vervang hem door elke willekeurige kijker naar mijn werk.

    Stel je voor dat je volkomen alleen bent, en alles om je heen is weg, geen steden, geen mensen, geen cultuur, dan is er altijd nog “landschap”.
    Daar sta je dan in en kijkt er naar.
    Jij en het andere, dat wat buiten je is.
    Dan moet je toch sterk in je schoenen staan, niks troostends, comfortabels, of een thuisgevoel.
    Integendeel dreiging, angstgevoelens, eenzaamheid.

    Daarin ligt ergens wel iets van een verklaring, in mijn werk is niks gezelligs, leuk pittoresks, te vinden.
    En het is maar de vraag of het begrip “mooi” relevant is……



    IV

    Mijn schilderijen verwijzen naar een landschappelijke werkelijkheid.
    Het waarnemen, gewaarworden, ervaren, ligt aan de basis.
    Met gespitste zintuigen, alert.
    Een actief kijken.
    Er is veel te zien, horen, ruiken, voelen.

    Het landschap is complex, geeft zich niet zo maar bloot.
    Het zien van landschap is werk.
    Landschap is niet stemmig, niet vrolijk, niet somber, het is gewoon wat het is.

    Mijn schilderijen bevatten weinig of geen topografische elementen, geen mensen en zijn ook geen impressies of nabootsingen van een ergens in de werkelijkheid voorkomend landschap.

    Het landschappelijke beeld gaat over ruimtelijkheid en licht, over horizon, oneindigheid en begrenzing en vooral ook over leegte en stilte.

    Om voor mezelf te beschrijven wat er op het platte vlak gebeurt kom ik nog al eens terecht op analogieën met muziek.

    Kleur en vormen staan t.o.v. elkaar als een soort akkoorden, de ruimte en sfeer als klanken.
    Het gaat dus om specifieke klanken die paradoxaal ook weer een stilte oproepen.
    Die stilte in de schilderijen is geloof ik waar het om gaat.
    Sommigen noemen het de leegte, toch iets anders, vind ik.

    Een geluidloos schilderij associëren met klanken, om vervolgens mijn landschappelijke stilte te realiseren.
    Stilte, of de afwezigheid van geluid, maar dat is ook geluid, is verbonden aan landschap.

    Waarom ik daar steeds weer op terecht kom? Waarschijnlijk is het omdat ik het ervaren daarvan in een werkelijk landschap zo belangrijk vind.

    Nico Hemelaar, 2019